Voor altijd mezelf zijn

Ik loop de kamer in en word begroet door drie examinators. Een vrouw en twee mannen. Mevrouw Muis (zeer timide vrouw die zich constant verontschuldigt), Meneer C en Mister X. Strategisch zitten ze aan de ene kant van een lange tafel en mag ik plaats nemen aan de andere kant. Gelukkig heeft het N.A. programma mij geleerd dat ik mag zijn zoals ik ben en dat ik niets te vrezen heb. Ik voel mij dan ook niet geïntimideerd.

Bij mijn binnenkomst geven ze blijk van hun verrassing. Blijkbaar hadden ze niet verwacht dat een verslaafde in herstel een vrolijke, van gezondheid blakende vrouw kon zijn. Mijn woorden bij binnenkomst zijn dan ook: “Valt het mee?” Een van de examinatoren, Mister X antwoordt “Valt te bezien”. ‘Och jee’, denk ik ‘als dit de toon is hoe het gesprek gaat verlopen…. Ben ik mooi klaar mee.’

In mijn vorige blogs heb ik beschreven dat ik met mijn theologische achtergrond niet meer voor een kerk wens te werken, wel voor God. Zodoende heb ik mij anderhalf jaar geleden aangemeld bij de vakvereniging van Geestelijke Verzorgers zonder zending. Om lid te kunnen worden, krijgt iedere aanmelder strenge toelatingsvragen waaruit moet blijken dat je een reflecterend en evenwichtig mens bent. Er werd o.a. gevraagd mijn levensverhaal uit de doeken te doen en uit te leggen hoe de verloop hiervan mijn geloofsovertuiging heeft beïnvloed. Zorgvuldig en waarheidsgetrouw stuur ik mijn antwoorden in. Zowel de eerste als de tweede keer (nieuwe vragen naar aanleiding van mijn antwoorden op het eerste schriftelijke examen) krijg ik van het beoordelingsteam te horen dat ik een twijfelgeval ben. Ik word uitgenodigd voor een mondelinge toetsing.

Mijn zus is voor al mijn schrijfsels mijn redacteur. De blogs die ik voor LEF schrijf  kijkt ze na op spelfouten en grammatica. Daarbij geeft ze stevig kritiek als ze het niet met mij eens is. Mijn weloverwogen antwoorden op de schriftelijke examenvragen heeft zij allemaal doorgenomen. We hebben het uitvoerig besproken. Toen ze hoorde dat ik voor de tweede keer was afgewezen en daarom uitgenodigd werd voor een mondelinge toetsing riep ze luid door de telefoon: “Zus, nu moet je kappen. Jouw antwoorden waren eerlijk, duidelijk, opbouwend en oprecht. Je hebt je kwetsbaar opgesteld. Jouw kracht. Wat willen die mensen van jou? Je bent al zo vaak door de kerk uitgestoten. Wanneer leer jij je les? Jij hoort daar niet!!”

Ik ben niet te vermurwen. “Kan zijn, toch wil ik weten hoe ver ik kom. Ik doe dit niet alleen voor mij zelf. De overheid heeft bepaald dat mensen die geestelijke verzorging nodig hebben de eerste vijf tot zes sessies door de verzekering betaald kunnen krijgen. Ik zou heel veel lotgenoten kunnen helpen op hun zoektocht naar hun Hogere Macht, naar spiritualiteit maar vooral hen bijstaan in het proces van vergeving. Maar de verzekering betaalt alleen als ik lid ben van deze vakvereniging.”

Met deze instelling stap ik het examenkamertje binnen. Ik heb niets te verliezen, alleen te winnen. Al het voorwerk is door mij gedaan. De resultaten laat ik aan mijn Hogere Macht over. Ik hoef alleen maar mijzelf te zijn. En dat alleen al is dikke winst. In mijn gebruikerstijd maar ook in de beginjaren van mijn herstel was ik zo gebrand op ‘mogen’ werken als pastor of geestelijk verzorger. Mijn wens was zo sterk dat ik bereid was om mijzelf te verloochenen. In de kerk moest ik mijn mond houden over mijn bevindingen op zowel wetenschappelijk, theologisch als spiritueel gebied. Het staat namelijk recht tegenover wat de kerken prediken. Mond houden en meepraten zijn twee verschillende dingen. Toch zijn ze beiden oneerlijk. Dat ging ik deze keer echt niet meer doen. Ik behoefde geen Geestelijk Verzorger te worden. Ik mag. Ik zou een bijdrage misschien zelfs een meerwaarde kunnen zijn voor deze vakvereniging. Als pionier te verstaan in de verslavingszorg. Op dat gebied hebben deze mensen geen kaas gegeten. Dat bleek ook wel uit hun bizarre vraagstelling.

Meneer C wilde weten hoe ik verslaafd was geraakt. Ik vertel in alle openheid dat ik ooit als coördinator van een daklozentehuis in Canada heb gewerkt. In diezelfde tijd ga ik door een scheiding. Hierdoor stoten mijn familie en kerkgenootschap mij af. Ik ben niet meer welkom. Als alleenstaande moeder ben ik opeens alleen in een land ver weg. De daklozen worden letterlijk mijn nieuwe familie. Meneer C raakt opgewonden van mijn antwoord. Hij buigt zich over de tafel naar mij toe en vraagt gespannen: “Ben je met de daklozen gaan spuiten?” Terwijl hij dit zegt maakt hij er het handgebaar bij alsof hij in de holte van zijn linkerarm zit te prikken. Mijn antwoord is kort en krachtig: “Nee, zij hebben mij geïntroduceerd in de wereld van wiet!”

Mister X raakt ook opgewonden maar dan om een andere, voor mij duistere reden. Hij roept verbolgen: “Stop dit gesprek. Stop. Gabriëlle is zo aanwezig dat er geen ruimte voor mij is om vragen te stellen. Ik kan geen adem halen. Ik vind jou zo overweldigend. Ik voel mij totaal niet uitgenodigd om onderdeel te zijn van dit gesprek.” Ik ben totaal verrast. Wat heeft deze man opeens? Ik heb alleen maar de vragen beantwoord van zijn nieuwsgierige collega. Mevrouw Muis opent eindelijk haar mond: “Wat doet dat met jou? Dat Mister X zo direct is met zijn oordeel?” Alle drie kijken ze mij nu strak aan.

Ik kijk rustig naar deze drie hoogst merkwaardige mensen. “Mijn hele leven word mij al verweten dat ik aanwezig ben in een ruimte. Al zeg ik niets, dan nog word ik opgemerkt. Dit is een van de redenen dat ik wiet ben gaan gebruiken. Met wiet probeerde ik mijn kurk (mijn persoonlijkheid) jaren lang onder water te houden. Maar de dag is aangebroken dat ik mijzelf accepteer zoals ik ben en….” Ik kijk nu in de ogen van Mister X “het spijt mij dat ik u de adem beneem. Weet dat dit niet de bedoeling is geweest.”

Meneer C springt meteen weer in: “Heb jij ADHD of zo? Of ben je hoog intelligent?” “Als ik dan toch mag kiezen, kies ik voor het laatste.” is mijn droge antwoord.

Er zijn veel opmerkelijke vragen aan mij gesteld, mijn antwoorden waren steeds oprecht. Maar dan sta ik opeens weer buiten. Compleet verbouwereerd. Het leek wel of ik net uit het konijnenhol van Alice in Wonderland was gekropen. Wat was dat voor een poppenkast? Moet ik nu trots op mijzelf zijn of heb ik net gefaald? Het was in ieder geval een tijdelijke aanslag op mijn gemoedsrust. Het scenario herhaalt zich vele malen in mijn hoofd. Na enkele telefoontjes gepleegd te hebben om het verhaal te delen kom ik tot rust. Ik mag trots op mijzelf zijn.

Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik fier rechtop ben blijven staan op het moment dat ik afgebrand word om de kern van mijn eigen zijn. Andere keren heb ik mij geschaamd om wie ik was. Mij geprobeerd aan te passen, te pleasen. Met als gevolg dat ik ging gebruiken. Ik ben een rond persoon en mij werd gevraagd mij te schikken in een vierkant. Ik heb het echt geprobeerd maar het is een onmogelijke taak gebleken. Het heeft mij jarenlang een slecht zelfbeeld en depressie opgeleverd.

En dan dringt het tot mij door dat ik een persoonlijkheid ben waar niet meer mee te sollen valt. I came a long way and I have conquered my fears of who I am. En wie ik ben is wie IK ben. Niets meer en niets minder.

Tien dagen later krijg ik te horen dat ik veel talenten heb en zeer geschikt zou zijn als ervaringsdeskundige in de verslavingszorg. Ik zou daar met mijn getuigende, positieve houding veel kunnen betekenen MAAR…….

 De afwijzing geeft blijk dat ik daar inderdaad niet thuis hoor. Een opluchting want Ik ben rond en zij zijn vierkant. Ik wil met al mijn toeters en (oor)bellen voor altijd mijzelf kunnen zijn!

 

Reageer reacties (0)
LEES MEER...