Symphonica in licht en liefde

Doe Maar, de Nederlands populairste band ooit, maakte in oktober 2012 haar glorieuze comeback met de Symphonica in Rosso concerten. De comeback van drummer Rene van Collem was van veel persoonlijkere aard, maar minstens zo ontzagwekkend. Na een verslaving van bijna dertig jaar, is hij nu tweeëneenhalf jaar in herstel. ‘Het was het mooiste dat ik ooit heb meegemaakt.’

Dit verhaal verscheen in augustus 2012 in Lef Magazine.
Tekst: Jolande Bastiaans
Fotografie: Marjo van de Peppel

‘Ik was een introvert kind, speelde heel graag in mijn eentje. Ik had wel twee of drie goede vriendjes, maar ik was het liefst alleen. Ik was het tegenovergestelde van een populaire jongen. Met mijn moeder had ik wel een goede band, ook al was zij altijd druk. Ze had een eigen restaurant. Toen ik zeven of acht jaar oud was, kreeg ik een trommeltje van mijn pa. Daar trommelde ik op in de garage. Later kwam daar nog een trommel bij en daarna nog één. Op dat moment is mijn passie voor drummen ontstaan. Ik heb het me helemaal zelf aangeleerd. Ik geloof dat ik mijn hele leven lang vier of vijf lessen heb gehad. Ik keek altijd naar TopPop en luisterde heel veel naar muziek. Ik drumde met alle nummers mee.’

Niets met roken en alcohol 
 ‘School was niet slecht en niet goed. Ik gaf niets om feestjes, niets om roken en niets om alcohol. Ik ben nooit verder gekomen dan twee drankjes. Het gevoel dat alcohol me gaf, vond ik niet fijn. Ook blowen vond ik vies en stond me tegen. Interesse in meisjes en seks had ik wél. Toen ik zestien was, ben ik van school af gegaan. Ik wist toch dat ik per se drummer wilde worden. Mijn vader was het daar serieus niet mee eens, maar kon niets anders dan zich er bij neerleggen. Ik drumde vanaf die tijd bij verschillende plaatselijke bandjes. Mijn talenten als drummer liggen niet op het technische vlak, ik ben meer van het gevoel. Ik ben een echte straatdrummer. Het liefst drumde ik op soul en funk. Zo muzikaal mogelijk. Earth Wind and Fire is altijd één van mijn grote favorieten geweest. En ik was een grote fan van Jeff Porcaro, de drummer van de band Toto.’

Tovermiddel
‘Ik ben zonder drank en drugs mijn puberteit doorgekomen. Oké, ik heb één keer een fles wodka opgedronken, maar daar ben ik zo ontzettend ziek van geworden. Dat liet ik daarna wel uit mijn hoofd. Ik voelde me daar ook niet beter van. Toen ik achttien was wilde ik iets geestverruimends proberen. Via een bekende kreeg ik een joint. Die sloeg in als een bom. Al mijn ongemak, verdriet, eenzaamheid, verlorenheid waren verdwenen. Het leek wel een tovermiddel. Ik weet nog dat ik dacht dat iedereen zich zo zou moeten voelen. Het effect was zo hevig dat ik zeker wist dat ik dit vaker zou willen doen. Ik was hartstikke naïef op die leeftijd. Ik wist goed dat er nog iets extra’s in die joint moest zitten. Ik dacht dat het een beetje cocaïne was. Later bleek dat die kennis door de wiet wat verpulverde heroïne had gemixt. Niet veel, maar  genoeg om bij mij de heftige reactie te veroorzaken. Ik vond het gevoel dat die joints teweegbrachten zo prettig dat ik het al gauw eens in de twee weken rookte. En al heel snel vertrok ik naar Amsterdam om het spul zelf te kopen. Natuurlijk ben ik erg boos geweest op deze bekende, maar al heel snel was ik in de greep van de drugs. Het eerste jaar kon ik het nog opbrengen om gedoseerd te gebruiken.’

‘De beginperiode bij Doe Maar was echt extreem. Het was waanzin. Horden fans en hysterische kinderen’

Exploderende band
‘Ondertussen ging het met mijn carrière als drummer steeds beter. Ik speelde in een bandje uit Haarlem genaamd De Stock - een hele leuke reggae-achtige band -  toen we in het voorprogramma van Herman Brood mochten spelen. Op een gegeven moment werd ik gebeld door een manager van een nieuwe band: Doe Maar. Zij zochten een drummer die reggae kon spelen. Ik heb toen auditie gedaan bij Hennie Vrienten. De muziek die Doe maar maakte, was een combinatie van reggae, punk en ska en dat vereist een speciale manier van drummer. Ik beheerste dat blijkbaar want ik werd direct aangenomen. Ik kwam terecht in een goed draaiende band, vlak voordat het grote succes uitbrak. Direct nadat ik bij de groep kwam doken we de studio  in om nummers als Doris Day en Is dit alles? op te nemen. Binnen een half jaar explodeerde de boel. We waren van de ene op de andere dag een super band met alle media-aandacht die daar bijhoorde. Ik was net negentien jaar - een stuk jonger dan de rest van de bandeleden - en bovendien zat ik aan de heroïne. Een extreme periode volgde. Het was waanzin. Horden fans en hysterische kinderen. Ik vond het aan de ene kant geweldig; het was toch maar gelukt als drummer bij zo’n top band. Aan de andere kant kon ik het helemaal niet aan.’

Ontspoorde trein
‘De eerste scheurtjes in mijn functioneren begonnen in de studio toen we met Doe Maar de nummers Pa en De Bom opnamen. Ik gebruikte inmiddels anderhalf jaar en dat begon problemen op te leveren. Ik werd de onbetrouwbare factor in de groep. Optredens heb ik nooit gemist, maar in de studio kwam ik geregeld niet opdraven. Ik was inmiddels behoorlijk verslaafd en kon het niet meer aan. Daarnaast was Doe Maar ondertussen zelf een ontspoorde trein. In samenspraak met de bandleden besloot ik te stoppen en meteen daarna deed ik mijn eerste afkickpoging. Ik was 21. Nou ja, afkicken. Ik stopte met de heroïne. Ik bleef coke snuiven, blowen en alcohol drinken. Ik was jong en baldadig en ik zag het allemaal nog niet zo. Daarnaast was ik ook gaan basecoken. Dat is gekookte cocaïne die je rookt. Dat is zo ongeveer de ergste drug die je tot je kunt nemen. Maar goed, na de afkickperiode van de heroïne was ik in ieder geval daar even van ontwent. Na Doe Maar heb ik nog in diverse Nederlandse bands gedrumd. Iedere keer deed ik weer een kortdurende herstelpoging – ging sporten, gezond eten en stopte met heroïne – om dan opgeknapt weer bij een nieuwe band te beginnen. Het waren voornamelijk korte acties. Ik heb gespeeld bij Spargo, Powerplay en Sjako. Door mijn verslaafd gedrag en onbetrouwbaarheid was dat allemaal van korte duur. Dood en doodzonde, want het drummen bleef mijn grote passie.’

‘Het was een leven vol Sex, Drugs & Rock ‘n Roll en ik voelde me er doodongelukkig bij’

Sex, Drugs & Rock ’n Roll
‘Deze verwoestende manier van leven heb ik jaren volgehouden. In die tijd werkte ik als drummer en percussionist met dj’s als Tiësto en Dj Jean. Met hen heb ik veel op Ibiza gewerkt. Ook heb ik veel gedaan met Tjeerd en Trijntje Oosterhuis, Herman Brood Band, Total Touch en Candy Dulfer. Al die tijd nam ik wiet, heroïne, cocaïne en crack. Ik doseerde het zo dat ik daarnaast nog net kon functioneren. Ik viel niet eens heel erg op in die scene. Onder muzikanten was en is drugsgebruik heel normaal. Ik denk dat dat heel anders was geweest als ik op een kantoor of bij de ING bank had gewerkt. Het was een leven vol Sex, Drugs & Rock ‘n Roll en ik voelde me er doodongelukkig bij. Ik hunkerde naar een thuisbasis, naar liefde en naar veiligheid. Dat kon dat wilde leven me allemaal niet geven. Het was een leeg bestaan. Met mijn moeder heb ik altijd een hele goed band gehad, zij heeft altijd geweten wat er aan de hand was. Mijn vader was het toppunt van denial toen hij nog leefde. Ik kon apestoned tegenover hem aan tafel zitten en dan had hij nog niets in de gaten. Of hij deed alsof hij niets in de gaten had. Mijn verslaving heeft mijn moeder enorm veel verdriet gedaan. Ze heeft wel twintig keer meegemaakt dat ik in de detox ging. Periodes van zogenaamde ‘hanteerbaarheid’ en drama wisselden elkaar in die jaren af. Ik werd verschillende keren opgenomen in verslavingsklinieken, allemaal zonder effectief en blijvend resultaat. Ik wist gewoon niet hoe ik definitief moest stoppen. Steeds als ik weer van de heroïne af was, ging ik over op cocaïne en hasj. Ik vond dat dat moest kunnen. Mijn leven bestond uit angst; ik kon me geen leven zonder drugs voorstellen.’

Diepere invulling
‘Van jongs af aan heb ik de behoefte tot zingeving gehad. Ik ben altijd al meer iemand van de binnen- dan de buitenkant geweest. Op mijn 32e las ik voor het eerst een boek van de Indiase goeroe Satya Sai Baba. Ik stond er altijd al wel voor open. Mijn moeder is ook erg spiritueel. Maar door dat boek zag ik voor het eerst het licht. Stapje voor stapje heb ik me daarna verder verdiept leer van Sai Baba, die uitsluitend liefde predikt. In 2000 ben ik met een groepje vrienden naar India geweest. Ik heb Baba daar ontmoet, met hem gesproken en zijn hand vastgehouden. Dat is echt een omslagpunt in mijn leven geweest. Een jaar later ben ik zelfs weer terug gegaan.  India is echt een land van mijn hart. Als ik aankom, ervaar ik een gevoel van thuiskomen. Ik ben daar op mijn plek. De spiritualiteit zit daar in de lucht. Hier in Nederland is alles grijzig; daar is alles veel kleuriger. De wens tot een diepere invulling  van het leven kwam steeds vaker terug in mijn leven. Door de jaren heen heb ik veel vriendinnetjes gehad, maar ik heb met geen een van hen ooit een échte relatie gehad. Ik kon al geen relatie met mezelf aangaan, laat staan met een ander. Toen ik echt helemaal aan de grond zat - geen baan, schulden, geen huis - kwam ik Margaretha tegen. Met haar ben ik afgelopen oktober getrouwd. Ik was nog nooit zo iemand als haar tegen gekomen. Margaretha is een hele warme persoonlijkheid en net als ik heel spiritueel. Ze heeft ook haar eigen praktijk.’

Bloed, zweet en tranen
‘Toen ik Margaretha vier jaar geleden leerde kennen, was ik nog volop actief verslaafd. Ik was één bak met ellende, pijn en eenzaamheid. Kortom: een echte junk. Omdat ik geen woning meer had, woonde ik bij mijn moeder in. Mijn moeder heeft gezorgd dat ik nog leef. Haar deur is al die jaren open blijven staan. De verslavingshulpverleners beschouwden mij inmiddels als een hopeloos geval. Sterker nog: dat deed ik zelf ook. Ik was nog nooit iemand tegengekomen die het gelukt was om van de drugs af te komen. Niet na zoveel jaar. Ik was lichamelijk en emotioneel een wrak. De koek was zo vreselijk op. Ik had nog twee opties: dood of herstel. Samen met Margaretha en mijn moeder heb ik gekozen voor het laatste. De weg naar het herstel heeft me anderhalf jaar gekost. Ik ben kort in Schotland geweest en daarna een behoorlijk lange tijd in een Nederlandse kliniek. Daar heb ik me uiteindelijk overgegeven en is het kwartje gevallen. Dat deed pijn en heeft me bloed, zweet en tranen gekost. Daarna heb ik nog een jaar in een safehouse in Amsterdam gewoond. Daar heb ik geleerd hoe ik nuchter de dag door kon komen. Dat wist ik helemaal niet meer. Opstaan, een broodje eten… en dan? Ik heb vrienden gemaakt onder fellows, een appartementje gevonden, gaan sporten en vrijwilligerswerk gaan doen. Het eerste jaar in herstel vond ik vreselijk. Nu, tweeëneenhalf jaar later, ben ik een gelukkig mens.’

‘Tijdens de Symphonica in Rosso concerten zat mijn moeder te huilen, alleen waren het dit keer tranen van blijdschap’

Symphonica in Rosso
‘Vorig jaar nam concertorganisator Mojo contact met me op. Of ik interesse had om met Doe Maar het Symphonica in Rosso concert te drummen. Dat kwam voor mij totaal onverwacht. Ik vond het eng, maar ook waanzinnig leuk. Het mes sneed aan zes kanten tegelijk. Ik heb het met twee handen aangepakt.  Eerst heb ik een gesprek gehad met de overige bandeleden. We zijn natuurlijk destijds niet erg tof uit elkaar gegaan. Zij namen een groot risico met mij, want ze wisten niet eens dat ik inmiddels in herstel ben. Nu ik clean ben, hadden we een erg goede band. Heel bijzonder. De concerten hebben in oktober plaatsgevonden en waren het mooiste dat ik ooit van mijn leven heb meegemaakt. Ik was van te voren best wel nerveus. Ik trad na jaren weer op met Doe Maar op een heel groot podium voor 35.000 mensen. En nu nuchter! Ik heb alles heel bewust meegemaakt. Het was voor mij ook een test of ik het fysiek en emotioneel aan zou kunnen. Je krijgt tijdens de voorbereidingen en de concerten zelf heel veel prikkels en je ontmoet heel veel mensen. Het is een compleet circus. Ik vond het geweldig. Ook heb ik ontdekt dat muziek nog steeds mijn ding is. Het was een hele speciale ervaring. Mijn moeder zat op de tribune te huilen, alleen waren het dit keer tranen van blijdschap.’

Liefde en licht
‘Direct na de concerten zijn Margaretha en ik getrouwd. Ik heb nu een compleet ander leven dan een aantal jaar geleden. Doordat ik zo gelukkig ben, heb ik totaal geen behoefte meer om wat dan ook te gebruiken. Als ik mijn moeder, Margaretha, mijn schoonmoeder én mijn hogere macht niet had gehad, was het me niet gelukt. Mijn thuisbasis is voor mij het belangrijkste dat er is. Zonder dat functioneer ik niet. Mijn gedrag is behoorlijk veranderd. Ik kan nu meer aan. Vroeger was ik een angstig en onzeker iemand. Als de telefoon drie keer ging, was ik al overspannen. Ik ben ook veel minder egoïstisch - af en toe nog wel eens, hoor - ik weet nu dat het niet altijd om mij draait. Met Margaretha heb ik een echte klik, we zitten op dezelfde golflengte en voelen en denken hetzelfde. Liefde en licht zijn de basiselementen van onze relatie. We zijn beiden erg spiritueel. Ik heb geen idee wat de toekomst nog gaat brengen, maar ik heb er een heel goed gevoel bij. Ik laat het allemaal over me heenkomen. Ook daar heb ik overgave in bereikt. Ik doe wat ik moet doen, zeker zaken die met herstel te maken hebben. Ik ben dankbaar en gelukkig. De wonderen zijn wat mij betreft de wereld nog niet uit.’

 

 

Reageer reacties (0)
LEES MEER...