Is dat erg?

Lang geleden dat ik weer eens in een gezelschap drinkers was. Geen drinkers in de zin van fulltime tankers, maar drinkers in de zin van doorsnee levensgenieters. Gezonde mannen en vrouwen die bij de geringste gelegenheid het glas heffen. Vrije mensen die gevraagd naar wat ze willen nuttigen, antwoorden met: ‘Als er maar alcohol in zit.’ Zij maakten een wandelreis waarover ik moest schrijven en hadden de eerste groepsdynamiek al achter de rug toen ik met mijn blocnootje arriveerde. Ze hadden net gegeten. Op de lange tafel stonden halflege flessen. Snel omgerekend: drie glazen wijn de man. Dat viel mee. Onmogelijk dat de groep uit louter matige drinkers zou bestaan. Op een gezelschap van twaalf volwassenen is er, statistisch gezien, minstens één die tot het gaatje gaat. Binnen een kwartier wist ik wie. Terwijl de meesten op tijd naar bed gingen om uitgeslapen aan de dageraadwandeling te beginnen, bleven twee vrouwen achter. Ze kropen dicht bij elkaar en maakten samen de overgebleven wijn soldaat. Lachend, stem verheffend, glazen omgooiend, elkaar interrumperend en mij om de slok vragend of ik ook iets wilde drinken. Ik vond het vermakelijk en voelde me – nog steeds – thuis tussen de doorzakkers.

Dus toen we elkaar amper zes uur later weer troffen, riep ik fris en monter: ‘GOEDEMORGEN!’. Ze knepen hun ogen dicht tegen het lawaai en leken me amper te herkennen. Terwijl we kort ervoor toch nog samen om de tv-serie Allo, allo hadden zitten lachen. Niets wat zo’n band schept als om de beurt Reu-né zeggen. Van een band was echter geen sprake. Althans niet van een wederzijdse. Geen twinkeling van herinnering, maar de bloeddoorlopen oogopslag van een door een kater geplaagde vrouw. Tijdens de tocht deden ze er het zwijgen toe. Pas tijdens het eten werd ik weer aangesproken. ‘Mariëtte, rood of wit?’ ‘Water,’ dank je wel. Twee minuten later. ‘Mariëtte, heb jij nog niks te drinken?’ ‘Nee, dank je, ik hoef niet.’ Een halve minuut verder: ‘Wat mag het voor je zijn? Rood of wit?’ Gefluister een paar stoelen verderop: ‘Hoeft Mariëtte niks te drinken?’ ‘Ik heb het haar gevraagd, maar ze wil niet.’ Na het voorgerecht: ‘Mariëtte, kan ik inmiddels iets voor je inschenken.’ ‘Nee, echt niet.’ Opgetrokken wenkbrauwen die om een verklaring vroegen. De volgende dag hetzelfde laken een pak. Het begon kortom een ding te worden, dat water van mij. En toen heb ik het verteld. Het grote HET. Het: ik drink niet. ‘Ook geen glaasje wijn?’ Dus toen maar het hele verhaal. Ik zei dat ik vroeger meer dan genoeg heb gedronken en dat ik er drie jaar geleden mee ben gestopt. Na die mededeling werd er anders naar me gekeken. Medelijdend. Het hoofd een beetje scheef, een flauwe glimlach om de mond. De zinnen werden korter, woorden steeds duidelijker gearticuleerd, zoals wanneer je tegen een mevrouw met een hoofddoek of rolstoeler praat.

Mijn imago van avontuurlijke journalist was in één klap veranderd in dat van een sneue ex-alcoholist. Categorie: ‘het ga je goed’, in plaats van, ‘we houden contact’. Een jaar geleden zou ik me daartegen verzet hebben. Dan zou ik geprobeerd hebben om met genetica, statistiek en allerhande vergelijkingen alcoholisme in het algemeen en dat van mij in het bijzonder te nuanceren. Maar de onwetendheid en de vooroordelen zijn zo groot, dat ik er soms de puf niet meer voor heb. Google het zelf maar uit. En dus laat ik me bejegenen als een paria. Daar staat wel tegenover dat ik met rust wordt gelaten. Geen mens die om mijn e-mailadres heeft gevraagd. Geen schijnbeloften om elkaar ooit nog eens te zien. Is dat erg?, vroeg ik me tijdens de terugreis af. Mis ik de bondjes gesmeed door alcohol? JA. Maar ik houd me voor dat ze duren zolang de voorraad strekt. Als de fles leeg is en de zon weer op, moeten we in ons eentje die berg weer op. Dat is al een hele opgave zonder kater, laat staan met.

Reageer reacties (0)
LEES MEER...